Hoe ik mijn ADHD-hoofd een beetje onder controle probeer te houden

Het is ondertussen meer dan een jaar geleden dat ik op mijn 46ste de diagnose ADHD kreeg. Wie mij al een tijdje volgt, weet dat uiteraard al. Ik heb er al over geschreven en de laatste weken deel ik ook regelmatig reels over ADHD op Instagram en Facebook. Blijkbaar is het een onderwerp waar heel veel mensen zich in herkennen, want ik krijg regelmatig berichtjes van vrouwen die denken: “Nele, verdorie, dit ben ik.”

Wat ik vooral raar vind, is hoeveel ik sinds mijn diagnose nog over mezelf leer. Voor mijn diagnose dacht ik bij ADHD vooral aan concentratieproblemen, snel afgeleid zijn, niet kunnen stilzitten en een druk hoofd hebben. Dat laatste: daar had en heb ik zoveel last van. Als iemand tegen mij zegt: “Denk gewoon even aan niets”, vraag ik mij oprecht af hoe je dat doet. Alleen al bij de opdracht om aan niets te denken, begin ik na te denken over het feit dat ik aan niets moet denken en ben ik dus alweer vertrokken. Met meditatie is dat al heel wat verbeterd, maar toch … ik heb nog mijn momenten. 😉🫣

Ondertussen weet ik dat ADHD veel meer is dan moeite hebben om je aandacht erbij te houden. Ook hoe je omgaat met motivatie, energie en emoties speelt een rol. En hoe meer ik daarover te weten kom, hoe meer dingen op hun plaats vallen. Regelmatig denk ik: “Aha, vandaar dus!” Blijkbaar zijn sommige dingen waarvan ik 46 jaar lang dacht dat ze gewoon “typisch Nele” waren, toch niet zo typisch Nele. 😉

Ik begrijp bijvoorbeeld beter waarom ik mij uren kan vastbijten in iets wat mij interesseert en ondertussen een taak van tien minuten drie dagen kan uitstellen, wat zeg ik? Drie dagen? Drie weken!! Waarom ik enorm veel aankan en plots overweldigd kan raken door vijf kleine stomme dingen. Waarom ik soms veel te lang blijf nadenken over een opmerking of een bericht, terwijl ik eigenlijk goed genoeg weet dat ik er waarschijnlijk weer veel te veel achter zoek.

Het interessante is dat ik daardoor niet alleen beter begrijp waarom bepaalde dingen gebeuren. Ik leer vooral steeds beter wat ik kan doen om mijn hoofd een beetje mee te krijgen. En nee, daar bestaat helaas geen magische ADHD-knop voor. Was het maar zo.

1.        Stop met wachten tot je “zin” hebt

Uitstellen, ik kan er wat van. En het rare is dat het meestal niet eens gaat over grote of moeilijke dingen. Soms stel ik iets dagenlang uit waarvan ik op voorhand weet dat het mij hooguit tien minuten gaat kosten. En ondertussen blijft dat natuurlijk wel ergens in mijn hoofd zitten. Heel handig. In plaats van die tien minuten eraan te besteden, ben ik er drie dagen mee bezig zonder het effectief te doen. 😉

Vroeger kon ik daarvoor zo kwaad worden op mezelf. Ik ben toch niet lui? Als ik enthousiast ben over iets, kan ik uren aan een stuk doorwerken en krijg ik bergen verzet. Waarom lukt het mij dan soms niet om gewoon aan dat ene stomme taakje te beginnen?

Wat ik ondertussen geleerd heb, is dat wachten tot ik er zin in krijg niet helpt. Sommige dingen zijn nu eenmaal saai en gaan dat morgen ook nog zijn. Mijn administratie gaat bijvoorbeeld nooit plots roepen: “Nele, komaan, we gaan ons eens goed amuseren samen!” Dus probeer ik mezelf niet meer wijs te maken dat ik straks vanzelf gemotiveerd zal zijn.

Wat bij mij beter werkt, is het klein maken. Ik moet niet “mijn administratie doen”, ik moet gewoon mijn boekhoudprogramma openen. Ik moet niet “die hele presentatie voorbereiden”, ik begin met het document te openen en de titel erop te zetten. En als mijn huis lijkt alsof er een bom ontploft is, moet niet meteen het hele huis aan kant. Ik begin ergens. Eén tafel, kast of lade is ook al iets.

Het klinkt simpel, en eigenlijk is het dat ook. En dat helpt mij. Zodra iets in mijn hoofd een groot project wordt, heb ik er nog minder goesting in. Als ik mezelf alleen maar moet overtuigen om eraan te beginnen, lukt dat veel gemakkelijker. En eens ik bezig ben, valt het meestal wel mee.

Een timer helpt mij daar trouwens ook bij. Ik hoef niet tegen mezelf te zeggen dat iets vandaag absoluut af moet zijn. Ik zet bijvoorbeeld een timer op tien of vijftien minuten en spreek met mezelf af dat ik tot dan bezig blijf. Tien minuten lukt altijd wel. En heel vaak gebeurt er dan iets grappigs: als die timer afgaat, ben ik eindelijk goed bezig en doe ik gewoon verder. En voor ik weet zijn alle kastjes in mijn keuken terug op orde!

Het moeilijkste was dus vaak niet het werk zelf. Gewoon er al aan beginnen, dat was het probleem.

2.        Maak het jezelf gemakkelijk in plaats van jezelf sterker te willen maken

Deze vind ik zelf een belangrijke. We denken zo vaak dat we gewoon meer discipline nodig hebben. Dat we sterker moeten zijn, beter moeten plannen of onszelf eens flink moeten toespreken.

Alleen, die wilskracht laat ons vaak in de steek, zeker wanneer we ons moe of overprikkeld voelen. Daarom probeer ik steeds vaker mijn situatie / omgeving aan te passen in plaats van mezelf voortdurend te verplichten om weerstand te bieden.

Ligt mijn gsm naast mij terwijl ik iets moet schrijven en zie ik voortdurend meldingen verschijnen, dan kan ik honderd keer tegen mezelf zeggen dat ik niet mag kijken. Ik kan hem ook gewoon ergens leggen waar ik hem niet zie.

Dat principe kun je op alles toepassen. Maak wat je wilt doen gemakkelijker en maak wat je voortdurend afleidt moeilijker. Soms hoeft een oplossing echt niet ingewikkelder te zijn.

3.        Beweeg als je hoofd vastzit

Nog iets wat ik steeds beter begrijp: als mijn hoofd blokkeert, heeft het niet altijd zin om nog harder naar mijn computerscherm te staren. Soms moet ik gewoon bewegen.

Even wandelen, rechtstaan, iets anders doen of letterlijk van omgeving veranderen kan genoeg zijn om weer te kunnen starten. Beweging kan helpen om daarna terug te kunnen focussen.

Eigenlijk weten we dat allemaal wel. Hoe vaak heb je niet dat je tijdens een wandeling plots een oplossing bedenkt voor iets waar je achter je bureau al een uur op zat te sjieken?

En toch blijven we vaak zitten. Omdat we vinden dat we moeten doorwerken. Misschien is even stoppen op zo’n moment net onderdeel van het werk.

4.        Niet alles wat je voelt, vraagt onmiddellijk om een reactie

Dit is voor mij persoonlijk misschien wel één van de belangrijkste.

Ik voel snel en veel. Een andere toon, een blik, een kort berichtje … mijn radar heeft het meestal onmiddellijk opgemerkt en mijn hoofd kan er vervolgens enthousiast een volledig verhaal rond bouwen.

Vroeger reageerde ik daar sneller vanuit. Nu probeer ik (met nadruk op probeer 😉) ruimte te creëren tussen wat ik voel en wat ik ermee doe.

Dat kan heel eenvoudig zijn: even niet antwoorden, een paar keer rustig ademen, bewegen of mezelf afvragen wat ik eigenlijk zeker weet en wat mijn hoofd er ondertussen zelf bij heeft verzonnen. Wanneer emoties hoog zitten, helpt het om eerst het lichaam wat rustiger te krijgen voordat je probeert alles op te lossen.

Een emotie mag er zijn, ik hoef er niet direct iets mee te doen.

Dat inzicht had mij twintig jaar geleden trouwens ook al van pas gekomen, maar soit: beter laat dan nooit. 😉

5.        Eerst je hoofd leegmaken als alles te veel wordt

Ken je het gevoel dat er eigenlijk geen gigantische problemen zijn en het toch allemaal te veel wordt? Een paar mails, twee telefoontjes, iets wat nog geregeld moet worden, iemand die wacht op een antwoord en plots weet je niet meer waaraan je moet beginnen.

Mijn natuurlijke reactie was vroeger: harder proberen nadenken. Doorgaan!

Niet bepaald succesvol als het probleem net is dat er al te veel in mijn hoofd zit.

Wat voor mij beter werkt, is alles eruit halen. Opschrijven wat er in mijn hoofd rondzweeft, kiezen wat nu werkelijk belangrijk is en daarna één ding doen. Niet ondertussen alweer drie andere dingen beginnen omdat ik ze toevallig zie liggen.

Lukt dat niet omdat ik al helemaal overprikkeld ben, dan heeft het weinig zin om mezelf nog harder vooruit te duwen. Eerst rust creëren, bewegen, naar buiten gaan of even afstand nemen en daarna opnieuw beginnen, werkt meestal beter.

6.        Ik probeer niet meer tegen mijn hoofd te vechten

Misschien is dat wel de grootste verandering sinds mijn diagnose.

Ik heb mezelf jarenlang proberen aanpassen aan hoe ik vond dat ik moest functioneren. Ik moest gedisciplineerder zijn, minder uitstellen, beter focussen, niet zo veel voelen en vooral niet zo snel overweldigd raken. Want dat was ook de raad die ik van anderen kreeg.

Nu probeer ik vaker de omgekeerde vraag te stellen: wat heeft mijn hoofd nodig om dit gemakkelijker te maken?

Dat betekent niet dat ADHD voor mij plots een superkracht is. Er zijn eigenschappen waar ik ontzettend blij mee ben: mijn enthousiasme, creativiteit, nieuwsgierigheid, het snel leggen van verbanden en mijn vermogen om mij compleet in iets vast te bijten. Maar er zijn evengoed momenten waarop datzelfde hoofd mij doodmoe maakt. Dat ik me echt kut voel! (Sorry voor mijn taalgebruik.)

Mijn diagnose heeft daar niets magisch aan veranderd. Ik ben nog altijd dezelfde Nele. Alleen begrijp ik de gebruiksaanwijzing ondertussen een beetje beter.

En weet je wat grappig is? Veel van de dingen die mij helpen, zijn helemaal geen spectaculaire ADHD-technieken. Taken kleiner maken. Mijn omgeving aanpassen. Bewegen. Pauzeren voor ik reageer. Dingen opschrijven in plaats van ze allemaal in mijn hoofd te willen bewaren.

Heel eenvoudige dingen dus. Alleen moet je eerst weten dat je ze nodig hebt.

Ik kreeg mijn diagnose op mijn 46ste en dacht na al die jaren persoonlijke ontwikkeling, coaching, opleidingen en boeken schrijven dat ik mezelf ondertussen behoorlijk goed kende.

Blijkbaar viel er toch nog iets te ontdekken. En ik vermoed dat ik nog niet klaar ben. 😁