Ik was een jaar of tien, misschien elf.
Ik huilde om iets, ik weet zelf niet meer precies wat, en ik kreeg te horen: "Moet ge hiervoor huilen? Allé, droog maar gauw die traantjes." Niet gemeen bedoeld. Gewoon een zinnetje dat gewoon werd uitgesproken, een zinnetje dat vele ouders vroeger zeiden. Maar het zinnetje had effect: ik leerde dat mijn tranen te veel waren. Dat er blijkbaar een minimumgrens bestond voor "erg genoeg om te huilen" en dat ik daar niet aan voldeed. Mijn verdriet was ongepast, het mocht er niet zijn.
En was ik boos? Dan kreeg ik onder mijn voeten. Soms zelfs erger. Want ik had het recht niet om boos te zijn.
Twee totaal verschillende emoties, verdriet en boosheid, en toch precies dezelfde boodschap: hou het maar liever binnen.
Ik vertelde je in deze blog al over die 90 seconden, over hoe een emotie zelf kort duurt, maar het verhaal errond “ikweetniethoelang” kan doorgaan. Vandaag wil ik het over iets anders hebben. Over wat er gebeurt als je die emotie niet eens de kans geeft om er te zíjn. Want daar zit volgens mij de echte kern.
Ik hoor het bijna wekelijks in mijn praktijk, in allerlei vormen.
Mannen die me vertellen dat ze als kind nooit mochten huilen. Dat "een echte kerel" zich flink hield, wat er ook gebeurde. Dat tranen iets waren voor zwakkelingen (of mietjes zoals ze bij ons zeggen), of erger, voor meisjes (alsof dat een belediging zou moeten zijn 🙄).
En vrouwen die me vertellen dat boosheid gewoon niet paste. Dat een boze vrouw al snel "hysterisch" werd genoemd, of "moeilijk", of dat ene woord dat ik hier niet eens ga uitschrijven omdat je het toch al weet. Terwijl diezelfde boosheid bij een man plots "assertiviteit" heette.
Vind je dat niet bizar, als je er even bij stilstaat? Dat we exact hetzelfde gevoel bij de ene persoon goedkeuren en bij de andere afkeuren, puur op basis van wie het voelt?
Het is natuurlijk geen toeval. Het zijn boodschappen die generaties lang zijn doorgegeven, meestal met de beste bedoelingen. Onze ouders wilden ons sterk maken, weerbaar, klaar voor een wereld die niet altijd lief voor ons is. Maar het resultaat was vaak het tegenovergestelde: we leerden onszelf wegstoppen in plaats van sterker worden.
Maar ik zeg je één ding: een gevoel kan je niet wegduwen, dat mag je niet negeren. Hier komt het punt waarover ik vroeger zelf compleet verkeerd dacht.
Ik dacht: als ik een gevoel niet toon, dan is het er ook niet meer. Foetsie, weg. Simpel toch?
Nope. Een gevoel dat je wegduwt, verdwijnt niet. Het verkleint niet eens. Het gaat gewoon onderhuids, en van daaruit blijft het meespelen, vaak zonder dat je het doorhebt. Verdriet dat niet mag bestaan, sluit zich af van de wereld. Boosheid die wordt afgekeurd, wordt agressie, of het tegenovergestelde: cynisme en onverschilligheid. En angst die je wegstopt? Die kost stiekem het meeste energie van allemaal, want doen alsof je niet bang bent terwijl je het wel bent, dat vreet aan je.
Grappig genoeg is precies het omgekeerde waar: een gevoel dat gewoon ruimte krijgt, ontspant sneller. Het hoeft niet eens iets met je te "doen". Het vraagt alleen om erkend te worden, en dan trekt het vanzelf weer weg.
Denk maar aan een kind dat bang is. Zeg je "je moet niet bang zijn", dan blijft het meestal gewoon bang, want je hebt net ontkend wat het voelt. Zeg je daarentegen "je bent bang hé, kom maar eventjes hier, dat is oké", dan ontspant het kind vaak binnen de kortste keren en gaat het gewoon weer spelen.
Ik herinner me nog een situatie in de Efteling, we stonden in de rij voor de Python, een rollercoaster met twee kurkentrekkers (of hoe noemen ze dat). Ons jongste, Nette – toen 9 jaar, kneep in mijn hand. “Voel je je kriebeltjes?”, vroeg ik haar. Ze antwoordde dat ze wat bang was. Ik zei haar dat ik ook kriebeltjes had en dat ik me ook een beetje bang voelde: dat is normaal. Je gaat snel alle richtingen uit in zo’n rollercoaster. Toen zei ze: “mama, maar we gaan het doen hè, het lukt ons”. Ik kneep in haar handje en ik zei: “het gaat ons lukken”. 😊
Wij zijn soms nog altijd dat kind. Alleen krijgen wij die erkenning niet. Maar ook onze emoties en gevoelens mogen nog steeds erkend worden.
Dit is precies waarom ik er bewust voor kies om het bij ons thuis anders aan te pakken.
Mijn kinderen mogen huilen. Ze mogen boos zijn. Ze mogen zeggen "ik vind dit stom" of "ik ben kwaad op u" zonder dat ik daar meteen paniekerig op reageer of het probeer te sussen met "ach, zo erg is het toch niet". Want weet je wat sussen doet? Niets. Letterlijk niets, behalve het gevoel nog groter maken omdat het zich niet gezien voelt.
Ik zeg liever: "Ik zie dat je boos bent. Vertel eens wat je zo kwaad maakt." Of: "Je mag verdrietig zijn. Ik ben er."
En ja, dat vraagt iets van mij ook. Want als je zelf bent opgegroeid met "droog die traantjes maar", dan zit die reflex nog ergens in je systeem. Ik moet mezelf soms actief tegenhouden om niet in datzelfde patroon te vervallen. Maar oefening baart kunst, en intussen merk ik het verschil met eigen ogen.
Boosheid die welkom is, verdwijnt sneller dan boosheid die wordt afgestraft. Verdriet dat gezien mag worden, is minder zwaar dan verdriet dat verstopt moet worden.
En ja, ook ik mag boos zijn, ook ik mag verdrietig zijn. Dat is iets wat ik mezelf ook pas de laatste jaren echt heb toegelaten.
Vroeger hield ik mezelf aan een dubbele standaard: mijn kinderen mochten hun gevoelens tonen, maar van mezelf verwachtte ik nog altijd dat flinke, alles-onder-controle-hebbende gedrag. Alsof ik als volwassene, als coach, als mama, geen recht meer had op een slechte dag.
Bullshit natuurlijk. Complete bullshit. (Sorry voor mijn taalgebruik 😉).
Ik mag verdrietig zijn. Ik mag boos zijn. En het mooie is: hoe meer ik mezelf dat toesta, hoe makkelijker het ook wordt om het bij anderen toe te staan. Het werkt namelijk in twee richtingen.
Nog iets dat mijn kijk op emoties volledig veranderd heeft: elk "moeilijk" gevoel wijst naar zijn eigen tegenpool.
Angst wijst naar veiligheid en durf. Boosheid wijst naar kracht en naar je eigen grenzen die om respect vragen. Verdriet wijst naar zachtheid. Twijfel wijst naar duidelijkheid.
Met andere woorden: die gevoelens waar we het liefst zo snel mogelijk vanaf willen, zijn eigenlijk wegwijzers. Ze zijn niet het probleem. Ze zijn de gebruiksaanwijzing voor wat je eigenlijk nodig hebt.
Dus de volgende keer dat je (of je kind, of je partner) boos, verdrietig of bang is: probeer het niet weg te schuirven. Geef het even ruimte. Niet omdat je er iets mee moet doen, maar gewoon omdat het mag zijn wat het is. Je zal merken: het went. En het lucht op, voor iedereen in huis.
Hoe ga jij om met je gevoelens? Durf jij ze uiten? Of krop je ze liever op omdat je vroeger hebt geleerd dat dit “beter” is?
Laat het gerust weten in de comments.
